ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8312
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kennisgeving voortduren bewaring vreemdeling na intrekking beroep
De vreemdeling, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 5 oktober 2001 in bewaring gesteld. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank op 19 oktober 2001 waarbij het beroep tegen de bewaring ongegrond werd verklaard, stelde de vreemdeling op 21 november 2001 opnieuw beroep in tegen het voortduren van de bewaring. De rechtbank behandelde dit beroep op 29 november 2001, waarbij de vreemdeling niet aanwezig was.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, in het bijzonder of de kennisgevingsplicht van de Staatssecretaris over het voortduren van de bewaring blijft bestaan na intrekking van een eerder beroep door de vreemdeling. De rechtbank concludeerde dat de wetgever een strikte waarborg heeft willen creëren dat de voortzetting van de bewaring regelmatig aan de rechter wordt voorgelegd, ongeacht het al dan niet instellen van beroep.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris niet onrechtmatig heeft gehandeld door de kennisgeving pas uiterlijk op 6 december 2001 te doen, uitgaande van de hypothetische situatie dat het ingetrokken beroep niet was ingetrokken. Tevens was er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen. Er werden geen proceskosten toegewezen aan een van de partijen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.