ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8490
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijheidsontnemende maatregel en beroep in vreemdelingenzaak
De vreemdeling, van Bengalese nationaliteit, werd op 27 november 2001 op Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd en werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling diende een asielaanvraag in die werd afgewezen, waarna de maatregel werd gehandhaafd.
De vreemdeling stelde dat de reden van zijn vrijheidsontneming niet in een voor hem begrijpelijke taal was meegedeeld, aangezien hij slechts een klein beetje Engels sprak en de mededeling pas uren later in het detentiecentrum plaatsvond. De rechtbank constateerde dat de mededeling inderdaad te laat was gedaan, maar dat dit voorschrift van artikel 5, tweede lid, EVRM, zij het laat, voldoende was nageleefd.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de kennisgeving niet-ontvankelijk was omdat de procedure reeds aanhangig was en dat het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond was. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De maatregel werd niet in strijd met de Vreemdelingenwet 2000 geacht en was niet onredelijk.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank 's-Gravenhage op 14 december 2001.
Uitkomst: Het beroep tegen de kennisgeving werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.