ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9724

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/60393
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F. Salomon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vw 2000Art. 8:70 AwbArt. 8:75 AwbArt. 10:5 AwbArt. 10:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid ondertekeningsmandaat bij vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

Eiser, een vreemdeling met Sierraleoonse nationaliteit, werd op 1 oktober 2001 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Hij stelde beroep in tegen het besluit, dat op 17 oktober 2001 ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd de voortzetting van deze maatregel betwist. Centraal stond de vraag of de aanwijzingsbeschikking van 30 oktober 2001 bevoegd was genomen en ondertekend.

Eiser stelde dat de ondertekening niet controleerbaar was omdat de ondertekenaar niet was aangeduid en dat een algemeen mandaat schriftelijk moest zijn. Verweerder stelde dat de directeur van het grenslogies mondeling mandaat had verleend aan het hoofd Bewonerszaken om te ondertekenen bij afwezigheid van de directeur. De rechtbank stelde vast dat de beschikking was ondertekend met een onleesbare handtekening en de aanduiding 'i.o.v.', wat werd geïnterpreteerd als 'in opdracht van', een ondertekeningsmandaat.

De rechtbank oordeelde dat een ondertekeningsmandaat mondeling kan worden verleend en dat de aanwijzingsbeschikking bevoegd was genomen door het bestuursorgaan. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel werd als gerechtvaardigd beschouwd.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 96 en Pro 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 01/60393 VRONTN
inzake : A, van (gestelde) Sierraleoonse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Hoorn, eiser, gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 1 oktober 2001 is op eiser de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast. Eiser heeft op 3 oktober 2001 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit beroep is bij uitspraak van 17 oktober 2001 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard.
Verweerder heeft de rechtbank op 14 november 2001 van het voortduren van de vrijheidsontneming in kennis gesteld. Krachtens artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 22 november 2001. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.
Het onderzoek ter zitting is op 23 november 2001 heropend waarbij inlichtingen aan beide partijen is gevraagd. Verweerder heeft bij brief van 6 december 2001 geantwoord op de vragen van de rechtbank. Bij brief van 7 december 2001 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd op voornoemde brief van verweerder. De rechtbank begrijpt dat partijen toestemming hebben verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen. Het onderzoek is op 11 december 2001 gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
Er is niet komen vast te staan dat de aanwijzingsbeschikking van 30 oktober 2001 bevoegdelijk is genomen. De persoon die de beschikking heeft ondertekend is niet aangeduid zodat niet valt te controleren of deze persoon door het bevoegde gezag is gemandateerd besluiten als deze te nemen of te ondertekenen. Bij brief van 7 december 2001 is betoogd dat in strijd met artikel 10:11, tweede lid, van de Awb uit de beschikking niet blijkt dat zij door het bestuursorgaan is genomen alsmede dat een algemeen mandaat waarvan hier sprake is alleen schriftelijk kan worden verleend.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
De gemachtigde van eiser moet aantonen dat de aanwijzingsbeschikking niet bevoegd is ondertekend. Ook had hij omtrent de naam van de ondertekenaar navraag kunnen doen bij het grenslogies. Bij brief van 6 december 2001 is betoogd dat de handtekening onder de beschikking afkomstig is van de heer P. Jansen, hoofd Bewonerszaken van het betrokken Grenshospitium, en dat de directeur van deze inrichting overeenkomstig artikel 10:5 lid 1 en Pro 2 van de Awb mondeling mandaat heeft verleend aan de heer Jansen om een plaatsingsbeschikking te tekenen indien de directeur en de plaatsvervangend directeur afwezig zijn. Volgens verweerder is er sprake van een ondertekeningsmandaat.
De rechtbank overweegt het volgende.
Onderhavig beroep is het tweede beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.
Blijkens de betrokken beschikking is deze genomen door „De directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 3 van Pro het Reglement regime grenslogies“. Zij bevat een onleesbare handtekening met daarbij de aanduiding ‘i.o.v.’.
De letteraanduiding wordt door de rechtbank gelezen als: in opdracht van. Bij een beslissingsmandaat wordt in het algemeen de aanduiding „voor deze“ of „namens deze“ gebezigd. Nu deze aanduiding niet is gebruikt maar daarentegen wordt vermeld dat de beschikking in opdracht van de directeur is getekend gaat de rechtbank ervan uit dat hier sprake is van een ondertekeningsmandaat.
Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat uit de beschikking niet blijkt dat zij door het bestuursorgaan is genomen aangezien als beslissingsautoriteit de directeur van de inrichting wordt genoemd. Er is niet gesteld of gebleken dat deze niet namens de inrichting beschikkingen als deze mag nemen. Blijkens artikel 10:11, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan bepalen dat de door hem genomen besluiten namens hem kunnen worden ondertekend tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. Blijkens de brief van verweerder heeft het bestuursorgaan besloten dat de betrokken beschikkingen namens hem door het Hoofd Bewonerszaken mogen worden ondertekend. Niet is gesteld of gebleken dat zulks in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. Evenmin kan eiser worden gevolgd in de stelling dat een algemeen ondertekeningsmandaat schriftelijk moet worden verleend. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat zulks mondeling kan geschieden. Weliswaar beroept verweerder zich daarbij ten onrechte op artikel 10:5, van de Awb aangezien dit uitsluitend betrekking heeft op de beslissingsmandatering, maar dit maakt het oordeel niet anders.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de beschikking bevoegdelijk is genomen en ondertekend zodat de hierop betrekking hebbende stellingen van eiser moeten worden afgewezen.
De rechtbank concludeert dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING:
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 13 december 2001, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Julen, griffier.
Afschrift verzonden op: 13 december 2001
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.