ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9869
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting Joegoslavische vluchteling
Verzoeker, een Joegoslavische staatsburger, vroeg toelating als vluchteling in Nederland en diende bezwaar in tegen de afwijzing van zijn aanvraag en intrekking van zijn verblijfvergunning. Hij verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening die de uitzetting zou schorsen totdat op het bezwaar was beslist.
De president oordeelde dat het vluchtelingschap beoordeeld moet worden naar de situatie op het moment van het besluit en bij rechterlijke toetsing, niet op het moment van aanvraag. De situatie in Kosovo was aanzienlijk verbeterd door internationale aanwezigheid, zodat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk vervolging te vrezen had.
Verder was het enkel uitblijven van een beslissing op bezwaar onvoldoende om de uitzetting op te schorten. De president verwierp ook het standpunt van verweerder dat artikel 33b Vreemdelingenwet 2000 toegepast moest worden, omdat de rechtsgevolgen van de beschikking niet wezenlijk waren gewijzigd.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en de uitzetting mocht doorgaan. Tegen deze uitspraak stond geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitzetting van verzoeker op te schorten is afgewezen.