ECLI:NL:RBSGR:2001:AE0821
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenrechtelijke staandehouding en bewaring met schadevergoeding
Eiser werd op 22 oktober 2001 aangehouden en vervolgens in bewaring gesteld wegens vermeend illegaal verblijf in Nederland. De rechtbank stelde vast dat de feitelijke vreemdelingenrechtelijke staandehouding reeds om 7.52 uur plaatsvond, terwijl de wettelijke voorwaarden van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 op dat tijdstip niet waren vervuld.
Verweerder voerde aan dat de aanhouding rechtmatig was op basis van een verdenking van wederspannigheid (art. 180 WvSr Pro) en een overtreding van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. De rechtbank verwierp deze stelling omdat de verdenking niet aannemelijk was en de overtreding geen vrijheidsontneming rechtvaardigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van eiser gegrond, oordeelde dat de staandehouding en bewaring in strijd met de wet waren bevolen en beval de opheffing van de bewaring met ingang van 1 november 2001. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van ƒ 2000,- en proceskosten van ƒ 710,- aan eiser.
De uitspraak werd gedaan door rechter M. Lolkema en is openbaar uitgesproken op 1 november 2001. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de bewaring op en veroordeelt de Staat tot schadevergoeding en proceskosten aan eiser.