ECLI:NL:RBSGR:2001:AE6851

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
09/027871-01
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Mollee
  • Van Veen
  • Aarts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek politierechter wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid

Op 22 oktober 2001 heeft de verdachte een wrakingsverzoek ingediend tegen de politierechter die zijn strafzaak behandelde, met het doel uitstel van de behandeling te verkrijgen en uit vrees voor een oneerlijk proces. De rechtbank heeft het wrakingsverzoek behandeld op 8 november 2001, waarbij de politierechter niet aanwezig was maar schriftelijk aangaf niet in de wraking te berusten. De officier van justitie heeft het verzoek bestreden en benadrukte dat wraking niet bedoeld is voor uitstel.

De rechtbank overwoog dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig wordt vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. De rechtbank stelde vast dat het wrakingsverzoek voornamelijk was gebaseerd op subjectieve gevoelens van de verdachte en het streven naar uitstel, zonder objectieve feiten die de onpartijdigheid van de politierechter in twijfel trekken.

Daarom concludeerde de rechtbank dat noch de vrees van de verdachte objectief gerechtvaardigd was, noch dat er aanwijzingen waren voor vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek werd dan ook afgewezen. De beschikking werd gegeven door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank 's-Gravenhage.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter is afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE
MEERVOUDIGE WRAKINGSKAMER
Parketnummer 09/027871-01
Kenmerk 169379/HA RK 01-894
Beslissing in wrakingsincident
Beschikking op het ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2001 gedane verzoek tot wraking in de zaak met parketnummer 09/027871-01 tegen de verdachte:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres]
1. De procedure
Op 22 oktober 2001 is de strafzaak tegen de verdachte [verzoeker] uitgeroepen. De verdachte heeft op voornoemde terechtzitting de wraking van de politierechter, [politierechter], voorgedragen om hierna te noemen redenen.
Het onderzoek ter terechtzitting is daarop geschorst, teneinde het wrakingsverzoek door de wrakingskamer van de arrondissementsrechtbank te laten behandelen.
De wrakingskamer van de rechtbank heeft het verzoek ter raadkamerzitting van 8 november 2001 behandeld.
De verzoeker is aldaar verschenen en heeft volhard bij zijn ter terechtzitting van 22 oktober 2001 gedane verzoek en heeft dit ter zitting nader toegelicht.
De betrokken rechter, [politierechter] is niet ter zitting verschenen. Hij heeft de rechtbank medegedeeld niet in de wraking te berusten.
De officier van justitie, mr Horstman, is ter zitting verschenen.
2. Het standpunt van verzoeker
De verzoeker stelt zich op het standpunt dat er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Ter onderbouwing van het standpunt heeft verzoeker - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd:
In eerste instantie was mijn wrakingsverzoek een noodgreep. Het was voor mij op dat moment de enige manier om uitstel van de behandeling van mijn zaak te krijgen. Verder ben ik er niet gerust op dat [politierechter] mij een eerlijk proces zal geven. Het is een gevoel dat ik heb. Ik ben er nu 100% van overtuigd dat ik geen fair trial krijg als deze rechter over mijn zaak moet oordelen.
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - als volgt het woord gevoerd:
Ik begrijp uit de woorden van verzoeker dat hij in eerste instantie de rechter gewraakt heeft om de zitting uit te stellen. Naar mijn mening is wraking van de rechter daartoe een onjuist middel. Ook verder heeft verzoeker geen standpunten naar voren gebracht die mijns inziens zouden moeten leiden tot de conclusie dat het wrakingsverzoek moet worden toegewezen. Ik concludeer dan ook tot afwijzing van het wrakingsverzoek.
4. Beoordeling
4.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.2 Door verzoeker is naar voren gebracht dat hij allereerst met de wraking wilde bewerkstelligen dat de behandeling van zijn strafzaak uitgesteld zou worden.
De rechtbank is van oordeel dat het middel van wraking niet bedoeld is om dit doel te bereiken en verzoeker in zoverre de wraking van [politierechter] op een onjuiste grond heeft gebaseerd.
4.3 Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat hij het gevoel heeft geen eerlijk proces te zullen krijgen als [politierechter] zijn zaak zou behandelen.
De rechtbank is van oordeel dat in hetgeen door verzoeker ten grondslag is gelegd aan het verzoek tot wraking van de politierechter, geen zwaarwegende aanwijzingen besloten liggen voor het oordeel dat de politierechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert.
Evenmin kan worden gezegd dat de bij verzoeker kennelijk bestaande vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Het enkele gegeven dat verzoeker verklaart er geen goed gevoel bij te hebben kan geen grond voor de inwilliging van een wrakingsverzoek vormen.
4.4 Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
5. Beslissing
De rechtbank,
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beschikking is op 8 november 2001 gegeven door
mrs Mollee,voorzitter
Van Veen en Aarts, rechters,
in tegenwoordigheid van mr Dingley, griffier.