ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7045
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens verzuim kennisgeving voortduren vrijheidsontneming
De vreemdeling, van Liberiaanse nationaliteit, was in bewaring gesteld en tegen het voortduren daarvan was beroep ingesteld. De rechtbank constateerde dat verweerder niet tijdig de rechtbank had geïnformeerd over het voortduren van de vrijheidsontneming, zoals vereist op grond van artikel 96 juncto Pro artikel 121, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit verzuim leidt ertoe dat de bewaring vanaf de dag na het verstrijken van de kennisgevingstermijn onrechtmatig is.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring per 11 mei 2001 dient te worden opgeheven. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding in verband met de onrechtmatige bewaring heropend voor verdere behandeling. De proceskosten van de vreemdeling werden vastgesteld op 710 gulden en verweerder werd veroordeeld deze te vergoeden.
De rechtbank benadrukte het belang van de kennisgevingsplicht als een strikte waarborg voor het voortduren van vrijheidsontneming. De zaak werd geschorst voor verdere behandeling van de schadevergoeding, waarbij verweerder een voortgangsrapportage had ingediend, maar de gemachtigde van de vreemdeling hier niet op had gereageerd.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens het niet tijdig kennisgeven van het voortduren van de vrijheidsontneming.