ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7049
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid bewaring vreemdeling wegens niet tijdig horen partijen
Op 8 mei 2001 werd de vreemdeling op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. De rechtbank beoordeelde of de voortzetting van deze maatregel rechtmatig was, waarbij de wettelijke termijn van zeven dagen na ontvangst van het beroepschrift of de kennisgeving voor het horen van partijen centraal stond.
De rechtbank stelde vast dat de kennisgeving op 10 mei 2001 was ontvangen, waarna de vreemdeling en de verweerder uiterlijk op 17 mei 2001 gehoord hadden moeten worden. Anders dan voorheen, waarbij alleen de vreemdeling werd gehoord, oordeelde de rechtbank dat ook de verweerder gelijktijdig gehoord moet worden. Dit is niet gebeurd.
Gelet hierop werd de voortzetting van de bewaring onrechtmatig verklaard en werd de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming per 17 mei 2001 bevolen. Er werden geen proceskosten aan een van de partijen toegewezen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling werd onrechtmatig verklaard en per 17 mei 2001 opgeheven wegens het niet tijdig horen van partijen.