ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7053

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 mei 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/15600 VRONTN
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 8:70 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid strafrechtelijke aanhouding en bewaring vreemdeling afgewezen

Eiser, een Amerikaanse vreemdeling, werd op 14 april 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij betoogde dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig was omdat het proces-verbaal niet op ambtseed was opgemaakt, waardoor het strafrechtelijk traject niet getoetst kon worden.

De rechtbank stelde vast dat er weliswaar geen op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen in het dossier zat, maar dat uit het mutatierapport en andere proces-verbalen voldoende bleek dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond. De aanhouding vond plaats nadat eiser in het bezit was van een verboden steekwapen in een supermarkt.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiser geen rechtmatig verblijf had, geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en onvoldoende middelen van bestaan. Er was een vlucht geboekt naar Amerika, maar uitzetting kon niet plaatsvinden vanwege het gedrag van eiser. De rechtbank achtte de vrijheidsontnemende maatregel en de tenuitvoerlegging daarvan gerechtvaardigd en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
Sector Bestuursrecht
enkelvoudige kamer
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en Pro 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 01/15600 VRONTN
inzake: A, geboren op [...] 1977, van Amerikaanse nationaliteit, verblijvende in Penitentiaire Inrichting te Ter Apel, eiser,
gemachtigde: mr. W.M. Blaauw, advocaat te Amsterdam,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. B. Perels, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 14 april 2001 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Verweerder heeft de rechtbank hiervan op 19 april 2000 in kennis gesteld. Krachtens artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 wordt de
vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 26 april 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was
ter zitting aanwezig A.J.C. Sikkens als tolk in de Engelse taal.
Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. In het procesdossier bevinden zich te summiere gegevens omtrent de strafrechtelijke aanhouding. De politiemutaties scheppen weliswaar duidelijkheid omtrent de feiten en de
aanhouding, maar een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal waarin staat wat er precies is gebeurd, ontbreekt aan het dossier. Derhalve kan het strafrechtelijk traject niet worden getoetst, waardoor de bewaring onrechtmatig is.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De strafrechtelijke aanhouding is rechtmatig geschied. Uit de stukken blijkt duidelijk wat het tijdstip van aanhouding en staandehouding is. Het mutatierapport is
weliswaar niet op ambtseed opgemaakt, maar verschaft wel duidelijkheid omtrent hetgeen is gebeurd. Er was sprake van redelijk vermoeden van schuld. Er is nog geen nieuwe datum voor de vlucht waarmee eiser onder escorte zal worden
uitgezet.
De rechtbank overweegt het volgende.
Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig was. Uit het op 13 april 2001 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van aanhouding opgemaakt door A. van
Vuure, brigadier van politie, en A.C.M. Groot, hoofdagent van politie, blijkt dat eiser op dezelfde dag in een supermarkt is aangehouden omdat hij in het bezit was van een verboden steekwapen. Vervolgens blijkt uit het door
voornoemde verbalisanten opgemaakte mutatierapport en uit het proces-verbaal van staandehouding opgemaakt door E. Brouwer, brigadier van politie, hoe de feitelijke gang van zaken was. Weliswaar ontbreekt een op ambtseed opgemaakt
proces-verbaal van bevindingen aan het dossier, desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam blijkt dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Bovendien is niet aannemelijk geworden
dat eiser in zijn belangen is geschaad vanwege het feit dat de gang van zaken gedeeltelijk blijkt uit een (niet op ambtseed opgemaakt) mutatierapport.
De rechtbank stelt vast dat eiser beschikt over de Amerikaanse nationaliteit, dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats hier te lande en evenmin over voldoende middelen van bestaan en dat hij geen rechtmatig
verblijf heeft.
De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerders standpunt dat aannemelijk is dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken, niet ongegrond is.
Niet gebleken is dat verweerder het onderzoek met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt of dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt. Voor eiser was reeds op 18 april 2001 een vlucht geboekt naar Amerika. Uitzetting
heeft echter niet kunnen plaats vinden vanwege eisers gedrag. Eiser zal onder escort worden uitgezet.
De rechtbank concludeert dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te
achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING:
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2001, in tegenwoordigheid van mr. F. Kilic, griffier.
Afschrift verzonden op: 3 mei 2001
Conc.: F.K.
Coll:
Bp:-
D:B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage).
Ingevolge artikel 69, derde lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week.