ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7065
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen buiten behandeling stellen aanvraag verblijfsvergunning wegens mvv-vereiste
Verzoekster, een minderjarige van Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij ouders zonder over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te beschikken. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling wegens het ontbreken van deze mvv. Verzoekster maakte bezwaar en deed een beroep op de hardheidsclausule van artikel 16a, zesde lid, Vreemdelingenwet.
De rechtbank overwoog dat gezien de zeer jeugdige leeftijd van verzoekster en de opvang- en verzorgingssituatie in Turkije, het onredelijk is om van haar moeder te verlangen met alle kinderen naar Turkije te reizen voor een mvv-procedure. De oudere kinderen zijn inmiddels vrijgesteld van het mvv-vereiste en kunnen de beslissing op hun aanvraag in Nederland afwachten. De moeder heeft tevens zorgtaken voor de oudste kinderen, waardoor het reizen naar Turkije voor de mvv-aanvraag onredelijk is.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond, herroept de beschikking van 27 maart 2000 en bepaalt dat verweerder de aanvraag in behandeling neemt. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat verzoekster geen belang meer had. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de Staat der Nederlanden aangewezen voor vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar wordt gegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning wordt alsnog in behandeling genomen.