ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7083
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring Ghanese vreemdeling en vertrouwensbeginsel bij staandehouding
De Ghanese vreemdeling werd op 13 februari 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Hij stelde dat zijn staandehouding door de politie onrechtmatig was omdat hij zich tot de politie had gewend voor hulp bij het opvragen van zijn paspoort, en dat dit in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde het voornaamste bestanddeel van de politietaak vormt en dat het verlenen van hulp aan hulpbehoevenden samen moet worden gezien met de handhavingstaak. Daarom was de staandehouding niet in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder was er sprake van voldoende concrete aanwijzingen dat de vreemdeling illegaal verbleef, waardoor de politie bevoegd was hem staande te houden.
De rechtbank verwierp ook het verweer dat de last tot uitzetting niet rechtsgeldig was gegeven, omdat mandaatverlening op grond van de Algemene wet bestuursrecht rechtsgeldig was. De bewaring werd niet opgeheven en het beroep werd ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage op 14 maart 2001. Tegen het besluit tot bewaring staat geen gewoon rechtsmiddel open, maar tegen de afwijzing van schadevergoeding is hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.