ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7103
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens ontbreken concrete aanwijzingen illegaal verblijf
De zaak betreft het beroep tegen de bewaring van een vreemdeling die op 11 maart 2001 tijdens een milieuwetcontrole werd aangehouden en in bewaring gesteld. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de vreemdeling zich trachtte te verstoppen en zich uit de voeten maakte niet leidt tot een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Hierdoor was de staandehouding onrechtmatig.
De opsporingsambtenaren beschikten niet over concrete aanwijzingen voor illegaal verblijf en waren daarom niet bevoegd om de dwangmiddelen van artikel 19 Vreemdelingenwet Pro toe te passen. De bewaring, ingesteld op grond van artikel 26 Vreemdelingenwet Pro, is daarmee onrechtmatig.
De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontneming en veroordeelt de Staat in de proceskosten. De procedure wordt getoetst aan het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, aangezien de vrijheidsbeneming plaatsvond voor 1 april 2001.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig en wordt met onmiddellijke ingang opgeheven.