ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8268
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens onvoldoende voortvarendheid bij asielaanvraag
De vreemdeling, van Nepalese nationaliteit, kreeg op 28 oktober 2001 de toegang tot Nederland geweigerd en werd op die dag een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd volgens artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling diende een herhaalde asielaanvraag in, waarop verweerder niet binnen een redelijke termijn had beslist. De rechtbank stelt vast dat hoewel de wet geen expliciete beslistermijn voorschrijft voor dergelijke gevallen, aansluiting wordt gezocht bij artikel 59, vierde lid, Vw 2000, waarin een termijn van zes weken geldt.
Verweerder voerde aan dat analoge toepassing van deze termijn niet mogelijk is en dat er voldoende voortvarendheid was, maar de rechtbank oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een langere termijn rechtvaardigen. Omdat verweerder niet binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag heeft beslist, is sprake van onvoldoende voortvarendheid.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 4 januari 2002 en kent een schadevergoeding toe aan de vreemdeling voor de onrechtmatige bewaring vanaf 29 december 2001. De gemachtigde van de vreemdeling was niet aanwezig bij de zitting, waardoor geen proceskosten aan verweerder worden opgelegd.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij de behandeling van de asielaanvraag en er wordt een schadevergoeding toegekend.