ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8328
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting Angolese asielzoeker na intrekking uitstel van vertrek
Verzoeker, een Angolese staatsburger, maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en tegen de intrekking van het aan hem verleende uitstel van vertrek. Verweerder had de schorsende werking van het bezwaar onthouden maar uitstel van vertrek verleend, dat later werd opgeheven. De voorzieningenrechter overwoog dat het niet duidelijk was of verzoeker buiten de relatief onveilige gebieden in Angola een veiligheidsrisico loopt, mede door onduidelijkheden in het ambtsbericht en TBV 2001/18.
Verzoeker had verklaard dat hij in een Unita-kamp was gedwongen te verblijven en na ontsnapping terugkeerde naar Luanda, waar hij mogelijk negatieve aandacht van autoriteiten kon krijgen. De voorzieningenrechter vond dat verweerder onvoldoende had onderzocht of de vrees van verzoeker gegrond was en dat het horen van verzoeker noodzakelijk was voor een zorgvuldige besluitvorming.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen voor zover het connex was aan het bezwaar tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Verweerder werd verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op dat bezwaar. Het verzoek voor zover connex aan het bezwaar tegen de intrekking van het uitstel van vertrek werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en kosten.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.