ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9726

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/50609
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 AwbArt. 8:7 AwbArt. 42 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 71 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen verlenging beslistermijn verblijfsvergunning

Eiseres, een naar gesteld staatloze vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Verweerder verlengde de beslistermijn op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met zes maanden vanwege een noodzakelijk dactyloscopisch onderzoek door Oostenrijkse autoriteiten.

Eiseres stelde beroep in tegen deze verlenging. De rechtbank overwoog dat de verlenging een procedurebeslissing is ter voorbereiding van het uiteindelijke besluit en dat op grond van artikel 6:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dergelijke beslissingen in beginsel niet vatbaar zijn voor bezwaar of beroep, tenzij zij de belanghebbende rechtstreeks in haar belang treffen. Dit was niet het geval.

De rechtbank concludeerde dat de verlenging van de beslistermijn geen zelfstandige rechtsgevolgen heeft en dat de wetgever geen afwijking van de Awb-systematiek heeft neergelegd. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de beslistermijn is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage
sectorbestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 01/50609 VRWET
Inzake : A, eiseres, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. V.L.J. Maessen, advocaat te Amsterdam
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr J.A.C. Verbeek, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1.Eiseres, geboren op [...] 1964, is naar gesteld staatloos. Zij verblijft sedert 8 april 2001 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000) in Nederland. Op 1 mei 2001 heeft zij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw2000 ingediend. Bij brief van 7 september 2001 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de beslistermijn inzake haar aanvraag op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw2000, met maximaal zes maanden zal worden verlengd.
2. Bij schrijven van 3 oktober 2001 heeft eiseres tegen de beslissing in de brief van 7 september 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 januari 2001. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. Artikel 71 van Pro de Vw2000 luidt: ‘in afwijking van artikel 8:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, is voor beroepen tegen besluiten, gegeven op grond van deze wet de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd.’
Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Krachtens het tweede lid van dat artikel wordt onder beschikking verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van een afwijzing van een aanvraag daarvan.
In artikel 6:3 van Pro de Awb is bepaald dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Awb (PG Awb I, p. 19 en 121) is de ratio van artikel 6:3 Awb Pro te voorkomen dat procedurele kwesties tot een zelfstandige bron van bezwaar of beroep zouden worden.
Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, wordt op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, binnen zes maanden een beschikking gegeven.
In het vierde lid van artikel 42 is Pro bepaald dat de termijn voor het geven van een beschikking met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd, indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.
In de Vreemdelingencirculaire is in C3/9.2 neergelegd dat onder ‘derden’ onder meer wordt verstaan de autoriteiten van derde landen, bijvoorbeeld landen waar de betrokkene eerder heeft verbleven.
In artikel 3.120 van het Vreemdelingenbesluit is bepaald dat indien de termijn voor het geven van een beschikking op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw2000 wordt verlengd, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis wordt gesteld. Bij deze kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt.
Het opschorten van de beslistermijn in de zin van artikel 42, vierde lid, van de Vw2000 vindt in dit geval plaats omdat verweerder ter beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag van eiseres een dactyloscopisch onderzoek door de Oostenrijkse autoriteiten noodzakelijk acht. De beslissing van 7 september 2001 tot verlenging van de beslistermijn is derhalve aan te merken als een procedurebeslissing, genomen in het kader van de voorbereiding van het te nemen besluit op de aanvraag van eiseres. Ingevolge artikel 6:3 van Pro de Awb is die beslissing in beginsel niet vatbaar voor bezwaar of beroep.
Niet gebleken is dat eiseres door de verlenging van de beslistermijn rechtstreeks in haar belang is getroffen. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Awb (PG Awb I, p. 284) is hiervan eerst sprake indien een voorbereidingshandeling op zichzelf reeds voor een of meer belanghebbenden rechtsgevolgen heeft. Het verlengen van de beslistermijn op een aanvraag om toelating kan niet als een dergelijke handeling worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat bij de totstandkoming van artikel 42 van Pro de Vw2000 (ow-art. 40) en artikel 25 van Pro de Vw2000 (ow-art. 23) er vanuit is gegaan dat tegen een verlenging van de termijn voor het geven van een besluit op een aanvraag rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (Nota naar aanleiding van het Verslag TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 120, 121, 170 en 171). Indien de wetgever wil afwijken van de systematiek van het recht van bezwaar en beroep zoals neergelegd in de Awb, zal die afwijking in een wettelijke bepaling moeten worden neergelegd. Hiervan is niet gebleken. De rechtbank ziet evenmin gronden de onderhavige beslissing op te vatten als een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waartegen ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vw2000 rechtsmiddelen openstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het beroep betrekking op een beslissing waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is.
2. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
3. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
IV. RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.
Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.
Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2002, in tegenwoordigheid van drs. F.J.M. van den Berg, griffier.
afschrift verzonden op: 16 januari 2002