ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1387
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verblijfsvergunning ingangsdatum moet aanvang voldoeningsmoment voorwaarden zijn
Eiseres, een Surinaamse vrouw, had een verblijfsvergunning aangevraagd met ingang van de datum van aanvraag, maar verweerder stelde de ingangsdatum op de datum van hoorzitting omdat toen pas werd aangenomen dat aan de voorwaarden was voldaan.
De rechtbank stelt vast dat artikel 24, lid 1, Voorschrift Vreemdelingen (oud) bepaalt dat de vergunning ingaat op het moment dat de vreemdeling feitelijk aan de voorwaarden voldoet, waarbij 'aantoonbaar' betekent dat de vreemdeling moet bewijzen wanneer dit moment was, niet dat de vergunning pas ingaat op het moment van aantonen.
Verweerder erkende dat de omstandigheden die tot toelating leidden al bij de aanvraag aanwezig waren, waardoor de ingangsdatum ten onrechte niet op de datum van aanvraag was gesteld. De rechtbank vernietigt het besluit en beveelt een nieuw besluit met de juiste ingangsdatum.
Het verzoek om schadevergoeding wegens het niet tijdig verlenen van de vergunning wordt afgewezen omdat de omvang van de schade niet vaststaat. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en de griffierechten worden vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd omdat de verblijfsvergunning ten onrechte niet met ingang van de datum van aanvraag is verleend.