ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1475
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Buitenbehandelingstelling aanvraag verblijfsvergunning wegens ontbreken machtiging voorlopig verblijf
Eiseres, een Congolese vrouw die sinds 1993 in Nederland verblijft, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning om bij haar partner te verblijven en te werken. De aanvraag werd buiten behandeling gesteld omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), een vereiste volgens de toen geldende Vreemdelingenwet.
De rechtbank overwoog dat het bestuursorgaan bevoegd was om de aanvraag niet te behandelen als niet aan de wettelijke vereisten was voldaan, mits de aanvrager een redelijke termijn kreeg om het verzuim te herstellen. In dit geval was eiseres slechts drie dagen gegund, wat niet onredelijk werd geacht, mede omdat zij geen concrete redenen had gegeven waarom zij niet binnen die termijn kon voldoen.
Eiseres voerde in bezwaar en beroep aan dat de termijn te kort was en dat zij een beroep op de hardheidsclausule had willen doen. De rechtbank stelde dat een beroep op deze clausule alleen relevant is indien dit vóór het besluit tot buitenbehandelingstelling is gedaan. Omdat eiseres dit pas in beroep aanvoerde, kon de rechtbank hier geen rekening mee houden.
De rechtbank concludeerde dat het bestuursorgaan niet in strijd met wettelijke of ongeschreven regels had gehandeld door het bezwaar ongegrond te verklaren en het beroep af te wijzen. De bijzondere procedure van artikel 4:5 Awb Pro, die een vereenvoudigde afdoening mogelijk maakt, maakt de gestelde termijn in principe fataal.
De rechtbank wees verder op het feit dat de beoordeling van de hardheidsclausule een individuele en bijzondere toetsing vereist, die in dit geval niet aan de orde was bij het bestuursorgaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder kostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.