ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1974
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid COA tot continuering opvang na vertrektermijn asielzoekers
Verzoekers, asielzoekers uit Joegoslavische nationaliteit, hadden hun asielaanvragen afgewezen gekregen en maakten bezwaar tegen de beëindiging van hun opvangvoorzieningen door het COA. Zij hadden niet tijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend binnen de vertrektermijn van vier weken na de afwijzing. Het COA liet weten de woning te zullen ontruimen omdat de vertrektermijn was verstreken. Verzoekers deden een verzoek om continuering van de opvang en beroep tegen het niet tijdig beslissen hierop.
De rechtbank overwoog dat de opvangvoorzieningen na afloop van de vertrektermijn van rechtswege eindigen bij een meeromvattende beschikking van de staatssecretaris van Justitie, zonder dat het COA of de staatssecretaris een afzonderlijke beslissing hoeft te nemen. Het COA is gebonden aan het oordeel van de staatssecretaris en heeft geen zelfstandige bevoegdheid om de opvang voort te zetten.
Verzoekers hadden bovendien een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000, gericht op uitstel van vertrek vanwege medische redenen, maar deze procedure lag nog bij de staatssecretaris en viel buiten de bevoegdheid van het COA. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat verzoekers geen procesbelang hadden en het COA geen beslissingsbevoegdheid bezat.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek tot continuering van opvang is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.