ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1990
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- G. Blomsma
- E.F. Smeele
- A.E.M. Effting-Zeguers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Reer Hamar uit Somalië wegens onvoldoende geloofwaardigheid en bestaand verblijfsalternatief
Eisers, leden van de Reer Hamar stam uit Somalië, vroegen asiel aan in Nederland vanwege vervolging en onveiligheid in hun land. Zij legden een vluchtverhaal voor dat onder meer mishandeling en bedreiging door leden van de Hawiye stam omvatte. Verweerder wees de aanvragen af vanwege tegenstrijdigheden in de verklaringen en het bestaan van een binnenlands verblijfsalternatief in Puntland, ondersteund door beleidswijzigingen en ambtsberichten.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eisers tegenstrijdig waren, waardoor het relaas niet geloofwaardig was. Tevens werd vastgesteld dat de politieke situatie in Somalië niet zodanig was dat leden van de Reer Hamar automatisch als vluchteling konden worden aangemerkt, tenzij sprake was van concrete individuele vervolging. De rechtbank bevestigde dat verweerder een ruime beleidsvrijheid heeft bij het voeren van het vvtv-beleid en dat dit slechts marginaal kan worden getoetst.
Eisers brachten nieuwe informatie in over de situatie in Puntland en Somaliland, waaronder rapporten van Amnesty International en de UNHCR, maar deze informatie was reeds door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State meegewogen in eerdere uitspraken. De rechtbank concludeerde dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië bestaat.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de rechtbank wees tevens verzoeken tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage op 21 maart 2002.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardigheid en het bestaan van een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië.