ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1998
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling is op 15 februari 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en voert aan dat het vervoer naar een plaats bestemd voor verhoor niet onder toezicht van bevoegde ambtenaren heeft plaatsgevonden en dat niet is voldaan aan de mededelingsplicht zoals bepaald in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2002/2.
De rechtbank stelt vast dat het vervoer wel degelijk onder toezicht van een ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen heeft plaatsgevonden, zoals blijkt uit het proces-verbaal. Hoewel verweerder niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht uit de beleidsregels, acht de rechtbank dit niet voldoende om de bewaring onrechtmatig te verklaren, mede gezien het impliciete belang van verweerder bij handhaving van de bewaring.
Verder is vastgesteld dat de vreemdeling geen geldige verblijfsstatus heeft, verdacht wordt van een strafbaar feit en het vermoeden bestaat dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Er is voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank concludeert dat de bewaring rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring gehandhaafd.