ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2708
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep na intrekking aanvraag vergunning tot verblijf
Eiser, een Congolees, had in 1997 een aanvraag ingediend voor een vergunning tot verblijf bij zijn echtgenote met het recht tot loonarbeid. Deze aanvraag werd in 1998 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. In april 2000 trok eiser zijn aanvraag in bij de Vreemdelingendienst, nadat hij aangaf niet meer samen te wonen met zijn echtgenote.
De rechtbank onderzocht of het beroep ontvankelijk was, mede aan de hand van de vraag of de intrekking van de aanvraag vrijwillig en rechtsgeldig was gedaan. De rechtbank concludeerde dat eiser in redelijkheid had kunnen of moeten weten dat zijn verklaring bij de Vreemdelingendienst consequenties zou hebben en dat er geen aanwijzingen waren dat de intrekking onvrijwillig was. Ook was geen sprake van een overhaaste beslissing.
Verder oordeelde de rechtbank dat artikel 2:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen verplichting oplegt voor het bestuursorgaan om een gemachtigde in te schakelen wanneer de aanvrager zich persoonlijk tot het bestuursorgaan wendt om de aanvraag in te trekken. Er was geen bewijs dat eiser door het ontbreken van een gemachtigde in zijn belangen was geschaad.
Omdat de grondslag van het beroep was komen te vervallen door de intrekking, had eiser geen belang meer bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank ging niet in op de vraag of eiser op grond van artikel 8 EVRM Pro aanspraak kon maken op een vergunning tot verblijf, en stelde dat daarvoor een nieuwe aanvraag nodig is. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van de aanvraag waardoor geen belang meer bestaat.