ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3271
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- H.F.M. Hofhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot staken wapenexport naar Israël wegens niet-ontvankelijkheid en onvoldoende gronden
In deze kortgedingprocedure vorderden meerdere stichtingen en verenigingen dat de Staat Nederland onmiddellijk alle vormen van export, doorvoer en wederuitvoer van militaire goederen naar Israël zou staken. Zij stelden dat de Staat onrechtmatig handelde door deze leveranties toe te staan, gelet op schendingen van het humanitair recht door Israël.
De Staat verweerde zich onder meer met het standpunt dat de vorderingen niet ontvankelijk waren omdat er voor de eisers een andere rechtsgang openstond bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De voorzieningenrechter oordeelde dat dit inderdaad het geval was voor de onderdelen van de vordering die zich richtten op het opleggen van vergunningplicht voor doorvoerzendingen en het intrekken van reeds verleende vergunningen.
Voor het onderdeel dat betrekking had op het niet verlenen van nieuwe exportvergunningen was er geen belang bij een oordeel, omdat de Minister reeds had toegezegd dat onder de huidige omstandigheden vergunningen in beginsel niet worden verleend. De voorzieningenrechter wees de vordering daarom af, deels wegens niet-ontvankelijkheid en deels op de inhoudelijke gronden.
De eisers werden veroordeeld in de proceskosten. Tevens werd een verzoek van een eiser in het incident tot voeging afgewezen wegens het ontbreken van procureurstelling. De uitspraak benadrukt de terughoudendheid van de burgerlijke rechter bij het toetsen van beleidsbeslissingen op het terrein van wapenexport en de noodzaak van het volgen van de juiste bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De vordering tot het staken van de export en doorvoer van militaire goederen naar Israël wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en onvoldoende gronden.