ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3477
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening in vreemdelingenbewaring wegens desertie Turkije
Verzoeker, van Koerdische afkomst en Turkse nationaliteit, verbleef sinds 1991 illegaal in Nederland en werd in oktober 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij vroeg asiel aan op grond van desertie uit het Turkse leger en vreesde een onevenredig zware straf bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij vluchteling was in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank hechtte weinig waarde aan de overgelegde documenten vanwege de late indiening en mogelijke onbetrouwbaarheid. Ook bleek uit het ambtsbericht dat de straf voor desertie in Turkije doorgaans niet onevenredig zwaar is en dat een amnestiewet van toepassing is. Daarnaast was er geen bewijs dat terugkeer een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om aanhouding van de procedure af omdat verzoeker niet tijdig was aangevraagd om naar de zitting te worden gebracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; verzoeker wordt niet als vluchteling erkend en uitzetting kan doorgaan.