ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3837
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling zonder voorafgaande staandehouding
De vreemdeling, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 5 maart 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank werd op 7 maart 2002 geïnformeerd over deze vrijheidsontneming. De vreemdeling voerde aan dat de inbewaringstelling onrechtmatig was omdat geen bewijs van voorafgaande staandehouding was overgelegd en omdat hij reeds eerder twee maanden in bewaring had gezeten zonder zicht op uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat hoewel geen proces-verbaal van staandehouding aanwezig was, dit niet automatisch de inbewaringstelling onrechtmatig maakt. De vreemdeling was strafrechtelijk aangehouden en vervolgens opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank stelde vast dat de staandehouding op een plaats bestemd voor verhoor plaatsvond, waardoor deze staandehouding geen redelijk doel diende. Wel was er een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
De rechtbank verwierp het verweer dat er geen zicht op uitzetting was, mede omdat de vreemdeling erkende dat het niet om vreemdelingenbewaring maar om een gevangenisstraf ging. Omdat de vreemdeling niet over geldige reisdocumenten beschikte, kon hij niet vrijwillig vertrekken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat geen onrechtmatigheid was vastgesteld.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.