ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4535
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning verblijfsvergunning asiel na gegrond beroep op afgeleide vluchtelingenstatus wegens nareis binnen redelijke termijn
Eiser, een Iraakse Koerd en voormalig peshmerga, had een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) werd afgewezen. Verweerder stelde dat eiser geen aanspraak had op een afgeleide vluchtelingenstatus omdat hij niet binnen een redelijke termijn van zes maanden na de vluchtelingenstatus van zijn echtgenote naar Nederland was nagereisd.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn aanvangt op de dag na de bekendmaking van het besluit waarbij de echtgenote als vluchteling was toegelaten (4 juli 1997), en dat de mvv-aanvraag voor eiser op 4 januari 1998 binnen deze termijn was ingediend. Het feit dat bezwaar tegen het primaire besluit tot weigering van de mvv niet was gemaakt, deed hieraan niet af.
De rechtbank verwierp ook de stellingen van verweerder dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk gegronde redenen had om vervolging te vrezen, en dat hij niet in aanmerking kwam voor een afgeleide vluchtelingenstatus. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat aan eiser met ingang van 16 november 1998 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, die later wordt omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verleent aan eiser een verblijfsvergunning asiel wegens nareis binnen de redelijke termijn.