ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5486
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige oplegging maatregel vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende onderbouwing vermoeden onttrekking
De vreemdeling is op 7 maart 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van bewaring vermeldde als enige grond voor het vermoeden van onttrekking dat de vreemdeling niet beschikte over een identiteitspapier zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank oordeelt dat dit enkele feit onvoldoende is om een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting aan te nemen. Gelet op een recente uitspraak van de Raad van State is de rechtbank niet bevoegd om de bewaringsgronden aan te vullen en dient het oordeel te worden gebaseerd op de oorspronkelijke maatregel. Omdat de maatregel onvoldoende is onderbouwd, is deze onrechtmatig opgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de bewaring per 15 maart 2002 en wijst een schadevergoeding toe van €760 over de periode 7 tot en met 14 maart 2002. Tevens veroordeelt zij de Staat in de proceskosten van €644. Tegen het deel van de uitspraak over schadevergoeding is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende onderbouwing en er wordt een schadevergoeding toegekend.