ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6182

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/27129
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Th.C.M. Hendriks-Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:1 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens onredelijk late indiening na niet tijdig beslissen

Eiser, van Srilankaanse nationaliteit, had op 3 februari 1998 een verzoek tot toelating ingediend, dat op 1 april 1998 werd afgewezen door verweerder. Tegen dit besluit maakte eiser op 7 mei 1998 bezwaar. Verweerder had de wettelijke beslistermijn van tien weken na ontvangst van het bezwaar overschreden, waardoor het beroep openstond.

Eiser diende het beroepschrift op 13 juni 2001 in, ruim 34 maanden na het verstrijken van de beslistermijn. De rechtbank overwoog dat in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is bepaald wanneer een beroepschrift onredelijk laat is ingediend, maar dat in eerdere jurisprudentie een termijn van twaalf maanden na het verstrijken van de beslistermijn als maatstaf werd gehanteerd.

Gezien de door verweerder gehanteerde gemiddelde beslistermijn van 24 maanden achtte de rechtbank een termijn van 25 maanden redelijk. Omdat het beroepschrift pas na 34 maanden werd ingediend en er geen bijzondere omstandigheden waren die deze termijn rechtvaardigden, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werden geen proceskosten aan partijen toegewezen.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening meer dan 34 maanden na het verstrijken van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
UITSPRAAK
Zaaknummer : AWB 01/27129 VRWET
Datum uitspraak: 10 januari 2002
Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:
A te B, eiser,
gemachtigde mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen,
en
de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
Op 3 februari 1998 heeft eiser, van Srilankaanse nationaliteit, verzocht om toelating.
Bij besluit van 1 april 1998 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet ingewilligd.
Bij brief van 7 mei 1998 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.
Tegen het uitblijven van een besluit op dit bezwaar heeft eiser bij schrijven van
13 juni 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld voor de toepasselijkheid van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, zodat daartegen krachtens artikel 8:1 van Pro de Awb beroep kan worden ingesteld.
In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is Pro ingesteld – binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen.
Gelet op het bepaalde in artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb stelt de rechtbank vast dat verweerder binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift, te weten uiterlijk op 17 juli 1998 een beslissing op het bezwaar had moeten nemen. Nu verweerder dit heeft nagelaten stond de mogelijkheid tot het instellen van beroep open.
Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb wordt een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit evenwel niet-ontvankelijk verklaard indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Aangezien in de Awb niet nader is bepaald wanneer sprake is van een onredelijk laat ingediend beroepschrift zoals hiervoor bedoeld, heeft de rechtbank in voorkomende gevallen geoordeeld dat een beroepschrift dat binnen twaalf maanden na het verstrijken van de beslistermijn is ingediend als tijdig moet worden aangemerkt.
De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 1999 en 12 augustus 1999 (gepubliceerd in AB 1999/214 en AB 1999/392) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 16 april 1998 (gepubliceerd in AB 1998/289).
Nu is gebleken dat verweerder inmiddels bekendheid heeft gegeven aan een te hanteren gemiddelde beslistermijn van vierentwintig maanden komt het de rechtbank geraden voor niet vast te houden aan de hiervoor genoemde termijn van twaalf maanden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door verweerder genomen termijn, een beroepschrift dat binnen vijfentwintig maanden na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn is ingediend, als tijdig ingediend moet worden aangemerkt.
Nu er in het onderhavige geval tussen de datum waarop de beslistermijn is verlopen en de datum waarop het beroepschrift is ingediend meer dan 34 maanden zijn gelegen, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijk lange termijn rechtvaardigen, is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank miet gebleken.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. Th.C.M. Hendriks-Jansen als rechter in tegenwoordigheid van M.H.H. van Eenbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002.
Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel verzet open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dagtekening van de verzending van het afschrift van deze uitspraak, een verzetschrift aan deze rechtbank te zenden. Daarin vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt. Tevens gelieve u aan te geven of u wel/niet in de gelegenheid gesteld wilt worden over het verzet te worden gehoord.
Afschriften verzonden:
11 januari 2002.
RvE