ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6268
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen ongewenstverklaring vreemdeling met behoud bezoekrecht gezin
Verzoeker, sinds 1985 in Nederland verblijvend en in het bezit van een vergunning tot vestiging, kreeg deze vergunning ingetrokken per 3 april 2000. Vervolgens werd hij op 27 maart 2001 ongewenst verklaard vanwege een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden voor drugsovertredingen. Het bezwaar tegen de intrekking van de vergunning werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de ongewenstverklaring gegrond was, maar dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, omdat verzoekers gezin, bestaande uit een genaturaliseerde echtgenote en drie in Nederland geboren kinderen, sterk geworteld is in de Nederlandse samenleving. Het gezin kan niet redelijkerwijs worden verplicht om naar Turkije te verhuizen.
Daarom werd het belang van het gezinsleven zwaarder gewogen dan het belang van de Staat bij het weren van personen met strafrechtelijke veroordelingen. De rechtbank trok het besluit tot ongewenstverklaring in en stelde dat verzoeker zijn gezin in Nederland moet kunnen bezoeken, hoewel hij niet legaal in Nederland verblijft. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen en de proceskosten werden aan de Staat opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring wordt gegrond verklaard en het besluit ingetrokken, met behoud van het recht van verzoeker om zijn gezin in Nederland te bezoeken.