ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6317
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting maatregel van bewaring vreemdeling in het kader van uitzetting
De vreemdeling, met Chinese nationaliteit, werd op 8 november 2001 in bewaring gesteld en later opnieuw op 8 maart 2002 na het uitzitten van een gevangenisstraf. De rechtbank beoordeelde of de voortzetting van deze maatregel rechtmatig was. De vreemdeling stelde dat de overheid onvoldoende voortvarend was geweest omdat pas na vier maanden onderzoek werd gedaan naar telefoonnummers die bij hem waren aangetroffen.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdeling geen medewerking verleende om het onderzoek te bespoedigen, terwijl hij de plicht heeft het land te verlaten en noodzakelijke gegevens te verstrekken. De rechtbank vond dat het niet onverenigbaar is dat de overheid niet direct na aanvang van de bewaring alle mogelijke gegevens onderzocht, zeker wanneer dit aanzienlijke inspanningen vergt.
Tijdens de bewaring heeft de overheid de herkomst van de vreemdeling kunnen traceren en zijn vermoedelijke identiteit vastgesteld. Gezien deze omstandigheden en het bijzondere karakter van de maatregel, oordeelde de rechtbank dat de overheid voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en de maatregel van bewaring werd voortgezet.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en de bewaring wordt voortgezet.