ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6333
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.J. Agema
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken redelijk vermoeden illegaal verblijf
Eiser werd op 7 juni 2002 staande gehouden door verbalisanten die een vermoeden hadden van illegaal verblijf vanwege zijn zuidoost-Europees uiterlijk, zijn verwarde gedrag en het feit dat hij niet reageerde op vragen naar identiteitspapieren. De verbalisanten vroegen om identificatie, maar eiser reageerde niet, waarna hij in bewaring werd gesteld.
De rechtbank beoordeelde of er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, zoals vereist op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank concludeerde dat de feiten en omstandigheden onvoldoende waren om dit vermoeden te rechtvaardigen. Het niet reageren op vragen naar identiteitspapieren was geen aanwijzing voor illegaal verblijf, aangezien eiser niet verplicht was een identiteitsbewijs bij zich te hebben.
Daarom was de staandehouding en de daaropvolgende bewaring onrechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring en veroordeelde de verweerder tot betaling van proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door mr. F.J. Agema op 19 juni 2002.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.