ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6572
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning wegens ontbreken mvv
Verzoeker, afkomstig uit Zaïre, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn Nederlandse partner en het uitoefenen van gezinsleven met zijn minderjarige kinderen. Deze aanvraag is afgewezen omdat hij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen grond was om hem van dit vereiste vrij te stellen.
Verzoeker voerde aan dat artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 geen wettelijke basis heeft in artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat artikel 3.71 imperatief is terwijl artikel 16 een Pro discretionaire bevoegdheid aan de overheid geeft. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze discrepantie inderdaad problematisch is, maar dat verweerder desalniettemin bevoegd blijft de aanvraag af te wijzen wegens het ontbreken van een mvv.
Verder stelde verzoeker dat hij vrijstelling van het mvv-vereiste zou moeten krijgen vanwege zijn langdurige verblijf in Nederland en onbekendheid met het vereiste, en dat het onredelijk is van zijn partner en kinderen te verlangen hem naar zijn land van herkomst te volgen. De voorzieningenrechter vond onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat verweerder onredelijk heeft gehandeld.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat het verblijf in het buitenland tijdelijk is en toelating mogelijk blijft na het aanvragen van een mvv in het land van herkomst. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wegens ontbreken van een geldige mvv wordt afgewezen.