ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7256
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F. Salomon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling met aanvraag verblijfsvergunning
Eiser werd op 3 juli 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Hij voerde aan dat deze maatregel onrechtmatig was omdat hij op dat moment een aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens klemmende humanitaire redenen had lopen, waardoor hij rechtmatig in Nederland verbleef. Tevens stelde hij dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig was en dat er geen reëel perspectief op uitzetting bestond.
De rechtbank oordeelde dat het strafrechtelijk voortraject niet door de vreemdelingenrechter kan worden getoetst. Verder stelde de rechtbank vast dat hoewel eiser aanvankelijk onterecht op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a in bewaring was gesteld, deze grondslag op 8 juli 2002 is gecorrigeerd naar lid 1 onder b, wat rechtmatig was. De bewaring was gerechtvaardigd vanwege het belang van de openbare orde en het oogmerk van uitzetting.
De rechtbank verwierp het verzoek om een minder ingrijpend middel omdat eiser niet beschikte over een geldig identiteitsbewijs. Ook was volgens de rechtbank het perspectief op uitzetting aanwezig, ondanks dat uitzettingshandelingen werden opgeschort in afwachting van de beslissing op de verblijfsvergunningaanvraag.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd was met de wet en in redelijkheid gerechtvaardigd was, en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.