ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7258
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- O.L.W.H.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken rechtsgrond voor vrijheidsberoving
Eiser, een Chileense vreemdeling, werd op 16 mei 2002 in bewaring gesteld nadat het strafrechtelijk belang van zijn detentie was komen te vervallen. Uit het proces-verbaal bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf had, wat een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleverde. Het gehoor op grond van artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 begon echter zeven minuten vóór de formele inbewaringstelling, terwijl het strafrechtelijk belang al was vervallen.
De rechtbank stelde vast dat eiser bij aanvang van het gehoor niet was staande gehouden of opgehouden op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waardoor hij gedurende zeven minuten zonder rechtsgrond van zijn vrijheid was beroofd. Dit maakte de gehele detentie vanaf dat moment onrechtmatig, inclusief de daarop volgende vreemdelingenbewaring.
Op grond hiervan verklaarde de rechtbank het beroep gegrond en beval de opheffing van de bewaring met ingang van 24 mei 2002. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van eiser. De uitspraak onderstreept het belang van een correcte rechtsgrondslag voor vrijheidsberoving in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatige vrijheidsberoving.