ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7260
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring vreemdeling wegens twijfel identiteit en nationaliteit
Eiser werd op 2 juli 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij zonder rechtmatig verblijf in Nederland verbleef en zich voordeed als een ander door te reizen op het paspoort van zijn broer, een Nederlandse staatsburger.
Eiser stelde dat hij ten onrechte in bewaring was gesteld en dat hij bij aankomst op Schiphol de toegang geweigerd had moeten worden op grond van artikel 3 en Pro 6 van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat er geen redelijk vermoeden bestond van illegaal verblijf, omdat hij uit Curaçao was teruggezonden wegens het ontbreken van een logeeradres.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet kan worden geacht buiten het grondgebied van het Rijk in Europa te hebben verbleven na vertrek uit Nederland, zodat de genoemde artikelen niet van toepassing waren. Verder was er gerede twijfel over zijn identiteit en nationaliteit, omdat hij zich had voorgedaan als een ander en niet leek op de persoon op het getoonde Nederlandse paspoort.
De rechtbank achtte de bewaring op grond van de openbare orde gerechtvaardigd en vond dat verweerder het onderzoek voortvarend uitvoerde met een reëel perspectief op uitzetting. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen zijn bewaring wegens twijfel aan zijn identiteit en nationaliteit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.