ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7529
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en uitzetting vreemdeling wegens ontbreken rechtmatig verblijf
De vreemdeling werd op 8 maart 2002 aangehouden en op 9 maart 2002 in bewaring gesteld vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf en het belang van de openbare orde. De maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde dat de bewaring opgeheven moest worden omdat de uitzetting zijn recht op familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro zou schenden. De rechtbank oordeelde dat aanspraken op artikel 8 EVRM Pro in een aparte toelatingsprocedure moeten worden gemaakt, welke de vreemdeling niet heeft gestart.
De rechtbank constateerde dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft, omdat een verlengingsverzoek te laat was ingediend en de aanvraag buiten behandeling was gesteld. De voorlopige voorziening en het bezwaar waren ongegrond verklaard en onherroepelijk geworden. De vreemdeling beschikte niet over identiteitspapieren en had zich nooit gemeld, waardoor het risico bestond dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring rechtmatig was opgelegd en dat de belangenafweging, waaronder de voorbereiding van uitzetting en de betrokken persoonlijke omstandigheden, geen reden gaf om de bewaring op te heffen. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.