ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7853
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning en mandaatbevoegdheid Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevestigd
Verzoekster, een Chinese nationaliteit houdende vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die werd afgewezen door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Zij stelde dat de Minister niet bevoegd was het besluit te nemen en dat zij als illegaal geboren weeskind vervolging ondervond in China.
De rechtbank oordeelde dat de Minister bevoegd was op grond van een recent Koninklijk Besluit en mandaatverlening aan het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Het vermeende mandaatgebrek werd verworpen omdat verzoekster tijdig beroep had ingesteld en duidelijk was dat het besluit onder mandaat was genomen.
Inhoudelijk werd geoordeeld dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij vervolging of ernstige discriminatie in China ondervond. Het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten werd meegewogen, maar was niet doorslaggevend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af wegens gebrek aan belang. Er werden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.