ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8447
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsbijstand en vrijheidsontneming vreemdelingen op Schiphol
Op 2 augustus 2002 werd de toegang tot Nederland geweigerd aan een groep van zeven vreemdelingen, waaronder de vreemdelinge, die vervolgens een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd kregen volgens artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdelinge diende een asielaanvraag in, die werd afgewezen, waarna zij beroep instelde tegen de vrijheidsontneming en tevens een verzoek om schadevergoeding indiende.
De kern van het geschil betrof het recht op rechtsbijstand: de vreemdelingen hadden direct bij aankomst op Schiphol om contact met een advocaat verzocht, maar dit werd pas anderhalve dag later in het aanmeldcentrum toegestaan. De rechtbank overwoog dat noch het EVRM, noch de Vreemdelingenwet 2000, noch het beleid een verplichting bevat om bij oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel direct contact met een advocaat te faciliteren.
Hoewel het uitstel van anderhalve dag onaanvaardbaar lang werd bevonden, was de vreemdelinge schriftelijk geïnformeerd over de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden en vond spoedig rechterlijke toetsing plaats. Bovendien hadden de vreemdelingen in de lounge theoretisch toegang tot communicatiemiddelen om zelf contact met rechtshulp te zoeken. Concrete benadeling van hun rechtspositie werd niet gesteld.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken op 19 augustus 2002.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.