ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9416
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen ophouding wegens redelijk vermoeden illegaal verblijf
Eiser werd op 4 september 2002 staande gehouden op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en vervolgens overgebracht naar een politiebureau voor verhoor. Na enkele uren werd hij uitgezet naar Bulgarije zonder voorafgaande inbewaringstelling. Eiser stelde beroep in tegen deze ophouding en voerde onder meer aan dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor zijn illegale verblijf, dat zijn grondrechten waren geschonden, dat de maximale ophoudingsduur was overschreden en dat hij geen adequate rechtsbijstand had gekregen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat de Vreemdelingenwet 2000 een zelfstandig beroepsrecht tegen ophouding biedt, ook al is hoger beroep uitgesloten. De rechtbank vond dat er voldoende feiten waren die een redelijk vermoeden van illegaal verblijf rechtvaardigden en dat eiser niet had voldaan aan zijn meldingsplicht. De schending van een afspraak om de advocatenpiketdienst te informeren deed niet af aan de rechtmatigheid van de ophouding, zeker omdat eiser geen advocaat wenste.
Verder concludeerde de rechtbank dat de ophouding niet onrechtmatig was en dat eiser geen recht had op immateriële schadevergoeding. De stellingen over schending van grondrechten op grond van de Grondwet en het EVRM werden verworpen, mede omdat toetsing aan de Grondwet niet is toegestaan en het EVRM geen verdergaande rechten biedt dan de Vreemdelingenwet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf wordt ongegrond verklaard omdat de ophouding rechtmatig was.