ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1211
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over mvv-vereiste en Associatieovereenkomst EG-Bulgarije, Polen en Slowakije
Eiseressen van Bulgaarse, Poolse en Slowaakse nationaliteit vroegen vergunningen tot verblijf aan voor zelfstandige werkzaamheden, waaronder prostitutie, maar hun aanvragen werden buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank onderzoekt of het Nederlandse mvv-stelsel in overeenstemming is met de Associatieovereenkomsten die recht op toegang en vestiging als zelfstandige verlenen.
De Nederlandse regelgeving vereist strikt een mvv voorafgaand aan de aanvraag, zonder inhoudelijke toetsing van de materiële toelatingseisen bij ontbreken daarvan. Eiseressen betogen dat dit in strijd is met de rechtstreekse werking van de Associatieovereenkomst en dat toelating niet geweigerd mag worden louter vanwege het ontbreken van een mvv, zeker indien materiële eisen duidelijk worden voldaan.
Verweerder stelt dat de mvv-eis geldig is en dat geen inhoudelijke toetsing hoeft plaats te vinden bij ontbreken van een mvv. De rechtbank constateert dat het arrest Barkoci en Malik van het EG-Hof slechts de Engelse praktijk beoordeelt en dat het onduidelijk is of de Nederlandse praktijk hiermee verenigbaar is.
Daarom legt de rechtbank prejudiciële vragen voor aan het EG-Hof over de uitleg van de Associatieovereenkomst en de mvv-eis, met name of inhoudelijke toetsing vereist is bij een aanvraag zonder mvv en of het rechtmatig verblijf van de aanvrager op het moment van aanvraag van belang is.
De uitspraak is gedaan door drie rechters en griffier op 16 september 2002 en bevat geen inhoudelijke beslissing over de materie zelf, maar schorst de behandeling en vraagt om een prejudiciële beslissing.
Uitkomst: De rechtbank legt prejudiciële vragen voor aan het EG-Hof en schorst de behandeling van de zaken.