ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1220
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens vermeende betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen in Afghanistan
Eiser, een Afghaanse politieman, werd de verblijfsvergunning in Nederland ingetrokken op grond van vermeende betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen tijdens zijn diensttijd in Kandahar en Kabul. Verweerder stelde dat eiser als politie-ambtenaar en politiek functionaris nauwe banden had met de Khad en misdrijven tegen de menselijkheid had gefaciliteerd. Eiser betwistte dit en stelde dat hij geen directe of indirecte betrokkenheid had bij dergelijke schendingen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende bewijs had geleverd dat eiser daadwerkelijk betrokken was bij mensenrechtenschendingen. Met name werd geoordeeld dat eiser's relatief lage rang en de onduidelijkheid over zijn functie onvoldoende aanknopingspunten boden voor de veronderstelling dat hij verantwoordelijk was voor overdracht van krijgsgevangenen aan de Khad of het faciliteren van mensenrechtenschendingen. Tevens was het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, in strijd met de Awb.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.