ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1230
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Y.A.A.G. de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning wegens vertrekmoratorium Irak
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker die een herhaalde aanvraag tot verblijfsvergunning indiende na een Dublinclaim van Groot-Brittannië, stelde dat hij bij zijn eerste aanvraag onjuiste informatie gaf over zijn herkomst om zijn kansen te vergroten. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees zijn aanvraag af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat het vertrekmoratorium voor Noord-Irak, dat rechtmatig verblijf garandeert aan bepaalde categorieën, niet kan worden beschouwd als een nieuw feit dat heroverweging van het eerdere besluit rechtvaardigt. Daarnaast vond de rechtbank dat de twijfel aan de geloofwaardigheid van verzoekers verklaring over zijn afkomst terecht was.
Verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel was onvoldoende onderbouwd en het bestreden besluit was niet onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank concludeerde dat het afwijzen van de aanvraag binnen de redelijkheid lag en dat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zou leiden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werden geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak stond hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunningaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.