ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1233
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs en niet aannemelijk gemaakte vervolgingsgevaar
Eiser, van Iraanse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan, stellende dat hij vervolgd werd vanwege politieke activiteiten van zijn broers en zijn eigen detentie. Hij verbleef zeven jaar in Turkije voordat hij naar Nederland kwam. Verweerder wees het verzoek af wegens het ontbreken van documenten ter ondersteuning van identiteit, nationaliteit, reisroute en asielmotieven, en twijfels over de geloofwaardigheid van het relaas.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk vervolgingsgevaar loopt conform het Vluchtelingenverdrag. Het relaas was onvoldoende onderbouwd, mede omdat eiser geen verschoonbare reden had voor het ontbreken van documenten en geen acute vluchtsituatie aannemelijk maakte. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het dossier van de broer van eiser niet relevant was voor de beoordeling van zijn eigen aanvraag.
De rechtbank concludeerde dat het besluit van verweerder om de aanvraag in het aanmeldcentrum af te wijzen binnen de vereiste termijn zorgvuldig was genomen. Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening geweigerd.
Uitkomst: Het beroep op asiel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.