ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1298
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking voorwaardelijke vergunning tot verblijf en toepassing driejarenbeleid
Eiser, afkomstig uit Somalië, heeft sinds 1995 in Nederland een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf. Na afwijzing van deze aanvraag en een verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), werd deze vergunning in 1997 ingetrokken. Eiser stelde bezwaar tegen deze intrekking, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil betreft de toepassing van het driejarenbeleid, waarbij eiser betwist dat het tijdsverloop in de asielprocedure en de vvtv-intrekkingsprocedure apart moeten worden beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze tijdsverlopen niet bij elkaar mogen worden opgeteld, mede gelet op beleidsregels en eerdere uitspraken van de Rechtseenheidskamer.
Daarnaast concludeert de rechtbank dat de intrekking van de vvtv terecht is geschied, omdat de Abgal-clan, waartoe eiser behoort, sinds 10 februari 1997 niet meer in aanmerking komt voor een vvtv, gelet op het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en eerdere jurisprudentie.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat er geen sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop in beide procedures afzonderlijk. Ook is geen sprake van andere humanitaire redenen die een vergunning tot verblijf zouden rechtvaardigen. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt ongegrond verklaard omdat het driejarenbeleid correct is toegepast.