ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1572
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en wachttijd bij toepassing artikel 40 WAO
Eiser ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Deze uitkering werd herzien naar 80-100% arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 39a WAO, met een wachttijd van vier weken. Verweerder stelde dat voor de toepassing van artikel 40 WAO Pro, met name het derde en vierde lid, een wachttijd van 52 weken geldt voor loondervingsuitkeringen en vervolguitkeringen.
De rechtbank oordeelde dat deze interpretatie onjuist is. De wachttijd van 52 weken geldt alleen voor de hernieuwde vaststelling van het vervolgdagloon op grond van het eerste lid van artikel 40 WAO Pro, niet voor de toekenning van loondervingsuitkeringen en vervolguitkeringen onder het derde en vierde lid. Bij toepassing van artikel 39a WAO kan de wachttijd vier weken zijn, zoals in het geval van eiser.
Verder bepaalde de rechtbank dat eiser, jonger dan 33 jaar, geen recht heeft op loondervingsuitkering na de wachttijd, maar wel op een vervolguitkering volgens het vierde lid van artikel 40 WAO Pro, waarbij het vervolgdagloon wordt berekend op basis van de leeftijd bij herziening. De bestreden besluiten van verweerder werden vernietigd en verweerder werd opgedragen opnieuw te beslissen rekening houdend met deze overwegingen.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat de wachttijd van 52 weken niet altijd geldt voor loondervingsuitkeringen en vervolguitkeringen op grond van artikel 40, derde en vierde lid, WAO.