ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1627
Rechtbank 's-Gravenhage
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoekster, van Angolese nationaliteit, had sinds 2 december 1998 uitstel van vertrek gekregen. Op 11 februari 2000 stelde verweerder haar aanvraag tot verblijf buiten behandeling en gaf daarbij aan dat de uitzetting niet werd opgeschort door het indienen van een bezwaarschrift. Verzoekster kon hieruit niet afleiden dat haar uitzetting niet zou worden geschorst. Pas in het verweerschrift gaf verweerder aan dat het eerdere uitstel van vertrek nog steeds van kracht was, waarmee verweerder terugkwam op de eerdere uitzettingsmededeling.
Verzoekster had op 21 februari 2000 een bezwaarschrift ingediend en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om de uitzetting te schorsen. Deze voorlopige voorziening trok zij op 14 maart 2001 in, omdat het uitstel van vertrek nog steeds gold. Vervolgens verzocht zij de rechtbank om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder door terug te komen op de eerdere mededeling tegemoet was gekomen aan verzoekster en dat toepassing van artikel 8:75a Awb in samenhang met artikel 8:84 Awb Pro gerechtvaardigd was. De rechtbank veroordeelde de Staat der Nederlanden tot vergoeding van € 322 aan proceskosten, te voldoen aan de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot vergoeding van € 322 aan proceskosten aan verzoekster.