ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2202

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/44394 BEPTDN A S2
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8 EVRMArt. 3.6 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 14 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering driejarenbeleid

Eiser, een Algerijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van klemmende humanitaire redenen en op basis van verblijf bij partner. Na afwijzing van zijn bezwaar door verweerder, stelde eiser beroep in bij de rechtbank. Hij stelde aanspraak te maken op een verblijfsvergunning wegens relevant tijdsverloop, omdat zijn asielaanvraag meer dan drie jaar eerder was ingediend en onherroepelijk was beslist.

Verweerder stelde dat het driejarenbeleid geen relevant tijdsverloop toestaat indien de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand worden gelaten. De rechtbank oordeelde dat het beleid op dit punt een deugdelijke motivering mist en dat het onderscheid tussen vernietiging met en zonder instandhouding van rechtsgevolgen niet houdbaar is.

De rechtbank volgde eiser in zijn standpunt dat het driejarenbeleid niet zonder meer kan worden toegepast bij instandhouding van rechtsgevolgen en dat verweerder niet mag aannemen dat de rechter dit beleid heeft meegewogen. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beschikking te geven. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuwe beschikking te geven.

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zittinghoudende te Assen
Vreemdelingenkamer
Regnr.: Awb 01/44394 BEPTDN A S2
uitspraak: 25 oktober 2002
U I T S P R A A K
inzake: A,
geboren op [...] 1970,
verblijvende te B,
van Algerijnse nationaliteit,
IND dossiernummer 9312.28.0291,
eiser,
gemachtigde: mr. B. Werink, advocaat te Groningen,
tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder,
gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage.
PROCESVERLOOP
Op 28 april 1998 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard gedaan.
Bij brief van 16 februari 1999 heeft eiser tevens een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf bij partner, mevrouw A.W. Boukema (hierna referente), ingediend.
Bij beschikking van 16 april 1999 heeft de korpschef van de regiopolitie te Groningen namens verweerder de aanvraag niet ingewilligd.
Eiser heeft daartegen bij brief van 11 mei 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 10 augustus 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 5 september 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.
De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 januari 2002. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N.B. de Neef, advocaat te 's-Gravenhage.
Bij brief van 17 april 2002 is aan partijen medegedeeld dat besloten is het onderzoek te heropenen en dat het beroep ter verdere behandeling is verwezen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank.
De voortzetting van de openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 juni 2002. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
MOTIVERING
Standpunten van partijen
Eiser is van mening dat hij aanspraak heeft op een vergunning tot verblijf op basis van relevant tijdsverloop in de asielprocedure, daar het besluit van 1 november 1996 op zijn asielaanvraag van 28 december 1993 bij uitspraak van 6 mei 1998 van deze rechtbank, zittinghoudende te Zwolle is vernietigd en derhalve eerst meer dan drie jaren na indiening onherroepelijk is beslist op zijn asielaanvraag van 28 december 1993.
Het beroep op tijdsverloop in de reguliere procedure en zijn verzoek om een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner zijn volgens eiser beide ten onrechte afgewezen wegens het ontbreken van een paspoort, nu het verweerder bekend moet zijn dat de Algerijnse autoriteiten in Nederland geen paspoorten afgeven aan mensen die niet in het bezit zijn van een verblijfstitel. Eiser heeft zich bij de ambassade van Algerije vervoegd teneinde een paspoort te verkrijgen. De ambassade heeft hem laten weten dat hij een paspoort kan krijgen zodra er een positieve beslissing is op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning.
In dit verband wordt gewezen op een aantal vergelijkbare gevallen waarin verweerder heeft ingestemd een positieve beslissing te nemen met handhaving van het paspoortvereiste. Op vertoon van de 'voorwaardelijk' verleende verblijfsvergunning is in genoemde gevallen alsnog een paspoort verkregen. Eiser is van mening dat het in strijd met de redelijkheid is dat ver-weerder in zijn geval weigert mee te werken aan het verkrijgen van een paspoort.
Voorts stelt eiser dat er vanwege zijn huwelijk sprake is van schending van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Verweerder heeft eisers beroep op relevant tijdsverloop in de asielprocedure verworpen, omdat de periode tussen de aanvraag en het bestreden besluit korter is dan drie jaar, terwijl in de uitspraak van de rechtbank waarbij dit besluit is vernietigd de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.
De aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier heeft verweerder afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een geldig Algerijns paspoort en aangetoond noch gebleken is dat eiser niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig nationaal paspoort. Voor wat betreft eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel meent verweerder dat er in de door eiser genoemde andere zaken sprake is van een ambtelijke misslag en hij niet gehouden is deze fout te continueren, De weigering om aan eiser voortgezet verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
Beoordeling van het beroep
Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie per eerstgenoemde datum in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Mede gezien de overige ter zake van belang zijnde besluiten, waaronder het Besluit van 23 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140/pagina 11, heeft dit tot gevolg dat daar waar in de op het geding betrekking hebbende stukken wordt gesproken van de Staatssecretaris van Justitie moet worden gelezen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
In deze procedure dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit van 10 augustus 2001 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vw (oud) ingetrokken (art. 122 Vw Pro 2000).
Ingevolge het bepaalde in artikel 118, tweede lid, Vw 2000 blijft op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vw (oud) dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.
De Vw 2000 voorziet niet in een expliciete regeling van overgangsrecht met betrekking tot het toepasselijke materieelrechtelijke rechtsregime voor de te nemen beslissing op bezwaar. Aangezien verweerder in de bezwaarfase, op de voet van artikel 7:11 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) tot een volledige heroverweging van het besluit in primo is overgegaan en daarbij, overeenkomstig vaste bestuursrechtelijke uitgangspunten, ook het nieuwe materiële recht heeft moeten toepassen tenzij dit ten nadele zou zijn van degene die bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit in primo, zal de hierboven genoemde toets materieelrechtelijk plaatsvinden aan de hand van de Vw 2000.
Eerst na de toetsing aan dit beleid zal de rechtbank bezien of het rechtsregime zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag voor eiser als gunstiger valt aan te merken en in hoeverre verweerder toepassing had dienen te geven aan dat rechtsregime.
Allereerst is aan de orde de vraag of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op zijn asielaanvraag.
Ingevolge artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw2000, ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag.
Het op dit punt door verweerder gevoerde beleid is thans neergelegd in hoofdstuk C1/4.4 van de Vc 2000.
In dit hoofdstuk is onder andere bepaald dat de vreemdeling moet voldoen aan de voorwaarde dat hij gedurende voornoemde periode van drie jaren rechtmatig verblijf moet hebben gehad op grond van artikel 8, onder f, g, of h, Vw2000 in afwachting van de beslissing op het beroepschrift gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Dit betekent onder meer dat de vreemdeling na een rechterlijke uitspraak , waarin het beroep gegrond is verklaard geacht wordt de gehele periode van drie jaar rechtmatig verblijf te hebben gehad.
Voorts is vermeld dat in het geval de rechter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb het bestreden besluit heeft vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand laat, de periode van behandeling van het beroep niet alsnog rechtmatig wordt geacht. Dit omdat één van de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing zou zijn dat er aanspraken kunnen ontstaan op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid.
De rechtbank acht deze onderliggende motivering voor het gemaakte onderscheid tussen de gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit met danwel zonder het instandlaten van de rechtsgevolgen niet deugdelijk.
Daartoe wordt overwogen dat de rechtbank verweerder niet kan volgen in zijn stelling dat een rechtsgevolg van een vernietiging van een besluit, dat ziet op de afwijzing van een asielaanvraag, kan zijn dat er aanspraak bestaat op een vergunning tot verblijf vanwege relevant tijdsverloop. Immers, ten tijde van het nemen van het besluit was er geen sprake van relevant tijdsverloop. Dat er op het moment waarop het besluit wordt vernietigd wel drie jaren als bedoeld in het driejarenbeleid zijn verlopen doet naar het oordeel van de rechtbank dit rechtsgevolg niet alsnog intreden.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, los van het antwoord op de vraag of een rechtsgevolg van het bestreden besluit dat ziet op de afwijzing van een asielaanvraag, kan zijn het wel of niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid, verweerder er niet zonder meer van kan uitgaan dat de rechter bij de afweging of de rechtsgevolgen in stand worden gelaten het driejarenbeleid heeft meegewogen. Eerst indien dit expliciet in de uitspraak staat vermeld kan worden aangenomen dat het driejarenbeleid bij de afweging is betrokken.
Op grond van voorgaande overwegingen concludeert de rechtbank dat het driejarenbeleid voor wat betreft het gemaakte onderscheid tussen de gevolgen van een gegrondverklaring van het beroep zonder het instandlaten van de rechtsgevolgen van vernietigde besluit en een gegrondverklaring van het beroep met instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbreekt.
Nu voor de motivering van het bestreden besluit voor wat betreft de afwijzing van een verblijfsvergunning vanwege relevant tijdsverloop in de asielprocedure uitsluitend is verwezen naar, en gebaseerd is op de voornoemde bepaling in de Vc 2000 en de rechtbank van oordeel is dat het driejarenbeleid op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd vanwege strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, Awb. Het beroep is derhalve in zoverre gegrond.
Nu het beroep reeds gegrond is voor wat betreft eisers aanspraken op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid behoeven de overige gronden van het beroep geen bespreking. Daarbij wordt overwogen dat het beroep in de reguliere procedure niet kan leiden tot sterkere aanspraken dan de aanspraken die eiser toekomen indien hem een verblijfsvergunning op grond van relevant tijdsverloop in de asielprocedure wordt verleend.
Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.
BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikking van 10 augustus 2001;
- draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 805,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Dragtsma als voorzitter en mrs. A.T. de Kwaasteniet en B.I. Klaassens als leden en in tegenwoordigheid van mr. S.E. van der Heijden als grif-fier in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2002.
Afschrift verzonden: 1 november 2002