ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2389
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhaving toegangsweigering vreemdeling
Verzoeker, een Colombiaanse vreemdeling, had op 9 september 2002 de toegang tot Nederland geweigerd gekregen op grond van artikel 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Vervolgens werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd ex artikel 6 Vw Pro 2000. Verzoeker diende een asielaanvraag in die binnen het ac-traject werd afgewezen, waarna hij beroep instelde en een voorlopige voorziening werd toegewezen die uitzetting verbood totdat op het beroep was beslist.
Na opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel op 9 oktober 2002 en vrijlating uit detentie verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening die de handhaving van de toegangsweigering zou schorsen en hem recht zou geven op opvang. Verweerder stelde dat de toegangsweigering gehandhaafd bleef zolang de toegang geweigerd was, ongeacht de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat toegang een feitelijk geografisch gegeven is en dat na opheffing van de maatregel en vrijlating de feitelijke toegangsweigering niet langer gehandhaafd wordt. De handhaving van de toegangsweigering houdt op bij feitelijk verblijf in Nederland zonder vrijheidsbeneming. Verzoeker kwam daarom niet in aanmerking voor de gevraagde voorziening en het verzoek werd afgewezen.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen handhaving toegangsweigering wordt afgewezen omdat na vrijlating geen toegangsweigering meer geldt.