ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2396
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit, is op 9 maart 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 met het oog op uitzetting. De maatregel van bewaring duurt voort en verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 96 Vw Pro op de hoogte gesteld van het voortduren van de bewaring. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en verzocht om opheffing van de bewaring en toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft eerder op 19 juli 2002 vastgesteld dat de maatregel rechtmatig was en beoordeelt nu alleen of de bewaring sinds die uitspraak nog steeds rechtmatig is. Belangrijk is of er voldoende zicht is op uitzetting en of verweerder voortvarend handelt. Eiser stelde dat verweerder medische gegevens had ingewonnen en dat een verzoek om voorlopige voorziening een redelijke kans van slagen heeft, wat volgens hem tot opheffing van de bewaring zou moeten leiden.
De rechtbank oordeelt dat de beoordeling van de kansrijkheid van het verzoek om voorlopige voorziening buiten het kader van deze procedure valt. Verder is niet gebleken dat de medische situatie van eiser zodanig is dat de bewaring onrechtmatig is. Verweerder heeft toegezegd de bewaring op te heffen indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht is op uitzetting en dat verweerder voldoende voortvarend is. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.