ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2397
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van TBV 1999/22 wegens mishandeling
Eiser, een Iraanse vreemdeling, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (vtv) op grond van het Tussentijds Bericht Vreemdelingen (TBV) 1999/22. Deze aanvraag werd geweigerd vanwege een transactie die eiser in 1996 accepteerde voor een mishandeling gepleegd in 1995, wat volgens het beleid een contra-indicatie vormt voor verlening van een vtv.
Eiser voerde in bezwaar aan dat zijn individuele en persoonlijke situatie, waaronder het feit dat zijn echtgenote en kinderen een vtv hadden verkregen, een belangenafweging rechtvaardigde op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verweerder stelde dat het beleid geen ruimte liet voor een belangenafweging en dat de weigering op basis van cumulatieve voorwaarden was genomen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat toepassing van het beleid geen onevenredige gevolgen had voor eiser, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat zijn gezin een verblijfsvergunning had gekregen. Ook stelde de rechtbank dat verweerder niet aan artikel 4:84 Awb Pro kon voorbijgaan en dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de bestreden beschikking en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de weigering van de verblijfsvergunning en draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van een belangenafweging.