ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2429

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/78775 VRONTN
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vw 2000Art. 3 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding na rechtmatige vrijheidsontneming in asielprocedure

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, werd op 13 oktober 2002 de toegang tot Nederland geweigerd en direct vrijheidsontnemend vastgehouden op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na het indienen van zijn asielaanvraag en het eerste gehoor werd de vrijheidsontnemende maatregel gehandhaafd totdat op 17 oktober 2002 de aanvraag werd afgewezen en de maatregel werd opgeheven met oplegging van een meldplicht.

Eiser stelde dat de vrijheidsontneming onrechtmatig was omdat zijn identiteit en nationaliteit reeds na het eerste gehoor vaststonden en de maatregel daarom eerder had moeten worden opgeheven. Verweerder voerde aan dat de identiteit en nationaliteit pas bij het besluit vaststonden en dat het onderzoek naar mogelijke claims op vliegtuigmaatschappijen nog liep.

De rechtbank oordeelde dat het beleid om vreemdelingen in het aanmeldcentrum Schiphol op grond van artikel 6 Vw Pro 2000 vast te houden binnen redelijke beleidsgrenzen valt. De vrijheidsontneming was rechtmatig tot het moment van de beslissing op de asielaanvraag, die kort na het eerste gehoor werd genomen. Er was geen sprake van strijd met artikel 3:4 Awb Pro en de maatregel was niet onrechtmatig. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens vrijheidsontneming is afgewezen omdat de maatregel rechtmatig was.

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 02/78775 VRONTN
IND-nr.: 0210.13.4002
inzake : A, geboren op [...] 1978, van (gestelde) Afghaanse nationaliteit, met onbekende verblijfplaats, eiser,
gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat te Amsterdam,
tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
gemachtigde: mr. A. Pahladsingh, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 13 oktober 2002 is eiser op grond van artikel 3 van Pro de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan op 15 oktober 2002 in kennis gesteld. Krachtens artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Op 14 oktober 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De ten aanzien van eiser toegepaste vrijheidsontnemende maatregel is in het besluit opgeheven en aan eiser is de meldplicht opgelegd.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 22 oktober 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser toekenning van schadevergoeding gevorderd.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
Zoals blijkt uit hoofdstuk A5/5.3.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) dient het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend, zo beperkt mogelijk te geschieden. Aangezien in het onderhavige geval duidelijk is dat eiser niet kan worden uitgezet, omdat hij afkomstig is uit Afghanistan, diende de vrijheidsontnemende maatregel die in het aanmeldcentrum Schiphol ten uitvoer is gelegd, geen redelijk doel.
De vrijheidsontnemende maatregel had opgeheven moeten worden na het eerste gehoor, aangezien de identiteit en nationaliteit van eiser toen reeds vast stonden. De toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van Pro de Vw 2000 was dan ook vanaf dat moment onrechtmatig te achten.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
In het nader gehoor zijn er expliciet vragen gesteld over de nationaliteit van eiser. Daarnaast kan de zienswijze op het voornemen ook belangrijke informatie inzake de identiteit en nationaliteit van eiser bevatten. De identiteit en nationaliteit van eiser stonden eerst op het moment van het slaan van de beschikking vast. Daarnaast is er nog onderzocht of er claims op vliegtuigmaatschappijen konden worden gelegd. Eiser is daarom op juiste gronden eerst op 17 oktober 2002 heengezonden met een meldplicht. De toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van Pro de Vw 2000 is dan ook tot aan de opheffing rechtmatig geweest.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de bewaring na de indiening van het beroep is opgeheven. Thans moet worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.
De rechtbank stelt voorts vast dat de asielaanvraag van eiser in het aanmeldcentrum Schiphol is afgedaan.
Niet is in geschil dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 6 juncto Pro artikel 3 van Pro de Vw 2000 bevoegd was de onderhavige vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan eiser.
Wel worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of de wijze waarop die bevoegdheid is gehanteerd, rechtmatig was.
In dat kader stelt de rechtbank voorop, dat in hoofdstuk C3/12.13.1 van de Vc 2000 is neergelegd dat vreemdelingen die een asielaanvraag indienen in het aanmeldcentrum Schiphol, voorafgaand en gedurende de asielprocedure en nadat afwijzend op hun aanvraag is beslist, kunnen worden opgehouden in een grenslogies op grond van artikel 6 van Pro de Vw 2000. Dit beleid blijft naar het oordeel van de rechtbank binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.
De stelling van eiser dat de vrijheidsontnemende maatregel eerder opgeheven had moeten worden, aangezien de identiteit en nationaliteit van eiser reeds na het eerste gehoor vast stonden, doet daar, wat daar overigens ook van zij, niet aan af. De asielprocedure in het aanmeldcentrum is immers pas afgerond als er een beslissing op het asielverzoek genomen is. In het licht van het wettelijk gegeven dat de maatregel ex artikel 6 gepaard Pro gaat met een weigering van de toegang tot Nederland, kan niet worden gezegd dat verweerders aansluiting bij het moment van beslissing op het asielverzoek (kennelijk) onredelijk is. Verweerder is niet gehouden om met voorbijgaan aan een voor betrokkene mogelijk negatieve afloop van de asielprocedure alsnog toegang tot Nederland te verlenen.
Er bestaat te minder grond voor het oordeel dat verweerder in strijd handelde met het bepaalde in artikel 3:4 van Pro de Awb, gelet op de omstandigheid dat in casu de beslissing op het asielverzoek op korte termijn na het eerste gehoor te verwachten (en genomen) is.
Uit het vorenstaande volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel en de voortduring daarvan tot de opheffing niet onrechtmatig zijn geweest, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vw 2000.
III. BESLISSING:
De rechtbank
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 4 november 2002 in tegenwoordigheid van P. Deinum, griffier.
Afschrift verzonden op: 13 november 2002
Conc.: PD
Coll:
Bp: -
D: B
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.